Het paradijs

Eddy is vader van drie zonen en grootvader van vier kleinzonen en twee kleindochters. Al een jaar lang gaat hij als vrijwilliger op bezoek in het gesloten centrum van Merksplas. Hij is sinds de jaren ’70 actief in het pastoraat en werkte sinds 2002 als parochieassistent hoofdzakelijk voor mensen met dementie. Hier confronteert hij Bijbelteksten met zijn ervaringen in het gesloten centrum.

JPEG - 145.7 kB Mijn vader was een zwervende Arameeër (Arameeërs zijn een volk uit het huidige Syrië en Irak, n.v.d.r.). Hij is met een klein aantal mensen naar Egypte gegaan, en terwijl hij daar als vreemdeling verbleef, een groot, machtig, talrijk volk geworden. Toen de Egyptenaren ons slecht behandelden, onderdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden… (Deuteronomium 26,5-6)

Niets nieuws onder de zon: zwervers, dolende mensen en vluchtelingen zijn van alle tijden. Zoals vroeger is het ook nu: zij worden genummerd, tot een dossier herleid, gemeden, met alle zonden overladen en in getto’s gedreven. In gesloten centra zoals dat van Merksplas voelen zij zich gereduceerd van mens tot dossiernummer. De meesten liggen of hangen als we op bezoek komen, een houding die fysiek weergeeft wat psychisch fout loopt: zij hebben amper nog vat op het eigen leven, de eigen toekomst – zij hangen grotendeels af van de goodwill van ‘het systeem’. Een systeem dat het recht op een menswaardig bestaan van mensen die niet veroordeeld zijn – of indien veroordeeld, hun straf hebben uitgezeten – ondermijnt. Een einddatum voor de detentie mag dan wel in het dossier staan, veel meer dan een luchtspiegeling is dat meestal niet: veel vaker dan het einde van de detentie blijkt het om een fata morgana te gaan. Twee, drie, tot vijf of zes keer toe wordt de detentie met één of twee maanden verlengd. Het drijft mensen tot wanhoop, het maakt hen ziek of opstandig.

Dwaas, nog deze nacht komt men je leven van je opeisen, en voor wie zijn dan al die voorraden die je hebt aangelegd? (Lucas 12,21)

Hier in het rijke, vrije westen leven wij in een voor velen vanzelfsprekende overvloed. Een overvloed aan prikkels, aan informatie, aan voedsel, aan energie. Een voetafdruk die als een pletwals biodiversiteit in al haar vormen bedreigt ter wille van de voorraadschuren, de heilige consumptie. Herkennen wij onze bedreigde menselijkheid nog in het gelaat van de ander? Van de arme, de zieke, de stervende, de gevangene, de vluchteling? Of zien we hen als een bedreiging voor ons luilekkerleven?

Wie één van deze kleinen een beker koud water geeft omdat het een leerling is, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan. (Matteüs 10,42

PNG - 203.1 kB

Hartverwarmend is het om te zien hoe deze machteloze mannen mekaar helpen, voor mekaar in de bres springen. Een Marokkaanse jongeman probeert een getraumatiseerde Oost-Europeaan uit een diep dal te helpen. Een Koerdische dertiger trekt zich het lot aan van een hardhorige, oudere Turkse man die pas in het centrum aangekomen is en zich geen raad weet. Een Algerijnse vijftiger redt het leven van een radeloze jonge Palestijn en wordt als een vader voor hem. Hij is het die ons, wegens onze bezoeken, op het einde van ons gesprek vanuit zijn gelovige overtuiging meegeeft: ‘Vous aussi, vous allez au paradis’ – de bestemming waaraan hij zichzelf optrekt, die hem motiveert om tegen beter weten in te blijven geloven in een toekomst voor zichzelf en voor de andere genummerde namelozen. Door die solidariteit, dat opkomen voor mekaar wordt een duister oord – want dat is een gesloten centrum – een beetje de hemel op aarde. Een voorrecht is het om elke week een bezoek te mogen brengen aan het paradijs.

En Hij zal het zelf verklaren,
de Allerhoogste, de Heer;
Hij zal in het boek der volkeren schrijven:
‘Ook dezen horen daar thuis.’
Dan zullen zij dansen en zingen:
‘De bron van ons leven zijt Gij!’
(Psalm 87)

Eddy Denckens
bezoeker gesloten centrum Merksplas