Mijn eerste stappen als bezoekster

Het was in het kader van een wereldwijde pandemie dat ik in augustus jongstleden bezoekster werd voor JRS. Ik leg bezoeken af in het gesloten centrum van het zeer toeristische Brugge. Na een vlotte overname van de taak van de collega die ik zou vervangen, leerde ik een twintigtal mannen van diverse nationaliteit kennen. Ik zou dus elke week een bezoek brengen aan die kandidaten voor gedwongen terugkeer naar een land dat hun, na de vele jaren die ze in België doorbrachten, al zo veraf lijkt.

Ze zijn opgesloten in dagzalen, dwalen meestal wat rond met een verwilderde blik in de ogen en wachten op een beslissing die hun lot zal bezegelen. Alleen door de solidariteit en de vriendschap van hun medegedetineerden kunnen ze het uithouden. Dat wachten lijkt wel op een vagevuur en in deze coronatijd schijnt het eeuwig te duren. Maand na maand zie ik dezelfde gezichten, die steeds meer tekenen van droefheid en woede vertonen. Er beweegt weinig in het centrum van Brugge. Politiebegeleidingen zijn opgeschort. Ambassades geven slechts mondjesmaat de geleidebrieven die België nodig heeft om die mensen te kunnen uitwijzen. En er zijn ook weinig vluchten.

JPEG - 169.3 kB

In het midden van de herfst verslechterde de coronatoestand in België en mochten we de dagzalen niet meer binnen. Toch konden we achter plexiglas nog contact met die mensen hebben in de spreekkamers voor advocaten. De sfeer was daar intiemer. Toen begon ik pas de draagwijdte te beseffen van wat de Duitse psychiater Karl Jaspers in 1931 schreef, namelijk dat ‘de mens pas in de uiterste omstandigheden toont wie hij is’.

Bij die ontmoetingen onder vier ogen en in alle nederigheid heb ik immers dikwijls het gevoel dat ik het gekwetste hart van die mensen begrijp op een bepaald moment van hun persoonlijke geschiedenis. Ik tracht dan een gevoel van geborgenheid en vertrouwen te bieden, waarin de tongen soms loskomen. Ik hoor hoe ze zich willen bevrijden van het psychische lijden dat met detentie samengaat en dat hun leven zo zwaar maakt. Dikwijls wonen ze al vele jaren in België. Ze hebben er gewerkt, vrienden gemaakt of een gezin gesticht en de taal geleerd. En dan stortte opeens alles ineen doordat ze geen verblijfsvergunning hadden. Administratieve opsluiting wordt dikwijls als een straf ervaren door mensen wier enige misdrijf is dat ze niet in het bezit zijn van het stukje papier dat hun toegang verleent tot een normaal leven in België.

Het gesloten centrum doet me soms denken aan een ‘kweekschool voor haat en wrok’. Dat systeem is overweldigend en vernielt levens. Bij het verlaten van het centrum vraag ik me dikwijls onwillekeurig af of alle mensen die ik op de bus of in de trein ontmoet, verontwaardigd zouden zijn als ze wisten hoe destructief ons uitwijzingssysteem is. Sommigen zullen me cynisch antwoorden dat dit met opzet is om iedereen af te raden zich in ons land te wagen zonder verblijfsvergunning. Zou het doel dus de middelen heiligen?

Het feit dat mijn werk me met de neus op dat lijden drukt, brengt me soms in de war. Ik kon moeilijk begrijpen hoe ik die mensen kon opbeuren. Wat was mijn rol, mijn functie? In mijn ontreddering herinner ik me het woord van een jezuïet-collega, die me tijdens een teamvergadering zei dat ‘je soms niets kunt doen, doch enkel zijn’. Maar is dat niet het moeilijkste? Wat doen we met ons gevoel van onmacht? Enkele maanden na mijn indiensttreding zoek ik nog altijd een beetje mijn juiste plaats. Die ligt ongetwijfeld in het mededogen dat opwelt in de diepste stilte.

Yasmina Lansman
bezoekster gesloten centra